Best practice: De combinatiefunctionaris

Bob Mans is een van de eerste combinatiefunctionarissen in wielerland. Hij is de schakel in het verbinden van twee sectoren: sport en onderwijs. Een combinatie die zomaar eens een gouden combinatie zou kunnen zijn, want kinderen willen graag sporten en verenigingen willen graag nieuwe leden werven. Maar wat houdt zijn functie bij de Nedereindse Berg Utrecht precies in? Je leest het hieronder!

De combinatiefunctionaris;  een veelgehoorde term maar wat houdt het nou precies in?

De term combinatiefunctionaris dateert uit het jaar 2007 toen het Ministerie VWS het “Impuls brede scholen, sport en cultuur” introduceerde. Deze regeling stelt gemeentes in staat om subsidies te verstrekken aan instanties die gelieerd zijn of werkzaam zijn binnen de sectoren; onderwijs, sport en cultuur.

De combinatiefunctionaris heeft als kerntaak om twee van deze sectoren met elkaar te verbinden, waarvan onderwijs met sport de meest voorkomende combinatie is, zet daarin een samenwerking op en geeft deze vorm.

Concreet levert dit de gemeente een breder sport- of cultuuraanbod en een hogere activatie van schoolgaande jeugd op en kan de vereniging rekenen op professionele ondersteuning bij hun werkzaamheden of beleid en meer beweging op en rond hun sportcomplex wat kan leiden tot meer leden.

Als ik het naar mezelf vertaal geef ik clinics aan middelbare scholieren uit Utrecht binnen de sporten die bij de verenigingen van de coöperatie Nedereindse Berg te beoefenen zijn; wielrennen, mountainbiken, skeeleren en schaatsen. Via modules probeer ik deze jeugd kennis te laten maken met de sport, enthousiast te maken en zo mogelijk te begeleiden naar de vereniging. Daarnaast ondersteun ik het coöperatiebestuur op een aantal onderdelen; het vrijwilligersbeleid, het werven van meer sponsorgelden en de naamsbekendheid te vergroten.

De Nedereindse Berg is een van de eerste organisaties binnen het wielrennen die een combinatiefunctionaris aanstelt, hoe kijk jij hier tegenaan? Zie jij jezelf en de coöperatie als pioniers of zou dit fenomeen al veel breder in de wielersport moeten voorkomen?

De coöperatie Nedereindse Berg is beheerder van een schitterend en multifunctioneel sportcomplex gelegen aan het recreatiegebied de Nedereindse Plas. Het tweeëneenhalve kilometer lange parcours is uitermate geschikt voor een breed sportaanbod; wielrennen, mountainbiken, veldrijden en skeeleren. Daarnaast zijn er drie grote en gezonde verenigingen die gebruik maken van het parcours en gelieerd zijn aan de coöperatie; Wielervernigingen Het Stadion en De Volharding en de skeelerafdeling van schaatsvereniging Utrecht (SVU).

De coöperatie heeft goed ingeschat wat de mogelijkheden zijn en wat zij vanuit hun maatschappelijke rol kunnen aanbieden aan scholen binnen de regio Utrecht. Maar om ze daarmee tot pionier te maken vind ik wat ver gaan. Ik denk dat veel (wieler)verenigingen wat angstig en terughoudend zijn voor wat betreft het aanstellen van een combinatiefunctionaris. Bang dat het veel administratieve rompslomp met zich meeneemt en er niet helemaal van overtuigt zijn dat een combinatiefunctionaris wel past binnen hun vereniging of denken deze niet te kunnen begeleiden.

De coöperatie had deze terughoudendheid niet omdat ze voorafgaand aan mijn komst al een verenigingsmanager hadden rondlopen. Deze heeft hen gewezen op de mogelijkheid om een combinatiefunctionaris aan te stellen en geholpen bij de uiteindelijke aanvraag.  Daarnaast verdient de gemeente Utrecht een groot compliment voor de wijze waarop zij de combinatiefunctionaris regeling hebben geïntegreerd in hun beleid. Zij hebben met Verenigingsport Utrecht (VSU) een orgaan in het leven geroepen dat alle hoofpijndossiers, zoals de betaling van de combinatiefunctionaris, wegneemt. De wijze waarop zij verenigingen ondersteunen is zeer professioneel en vooruitstrevend. Het woord pionier is daar wellicht beter op zijn plaats.

Verder is het belangrijk dat verenigingen durven te vertrouwen op de mogelijkheden en niet direct uitgaan van eventuele gebreken. Zo zal niet elke wielervereniging de beschikking hebben over dertig wielrenfietsen om zo clinics aan te kunnen bieden aan scholieren.  Op zo’n moment moet de vereniging vertrouwen op de kwaliteiten van de combinatiefunctionaris, de al aanwezige expertise binnen het bestuur en het netwerk van de vereniging zelf dat zoiets te realiseren valt.

Ik zie zeker draagvlakken voor meer combinatiefunctionarissen binnen het wielrennen. Het is een relatief kleine sport in Nederland maar wel bij uitstek een sport waarop kinderen/scholieren, en dat is mijn ervaring, heel enthousiast reageren. En omdat het een wat kleinere sport is, verwacht ik ook dat veel gemeentes het toejuichen als schoolgaande jeugd eens kennis kan maken met de wielersport.

Voor het bestuur van een wielervereniging is het denk ik alleen maar prettig als je iemand binnen je gelederen hebt die net even de tijd en energie kan steken in een vraag- of beleidsstuk waar jij als goedwillende vrijwilliger net niet aan toe komt.      

Hoeveel uur per week kan jij je inzetten ten behoeve van de vereniging en sportontwikkeling en op welke wijze kan de coöperatie dit financieren?

Ik ben aangesteld voor zestien uur per week (0,4 fte). In principe is 2/3 van mijn tijd (11 uur) bedoeld om ook daadwerkelijk bezig te zijn met clinics op of voor scholen. En de andere 1/3 (5 uur) voor het organiseren van deze clinics, het beleidsmatig integreren van het vervolgtraject binnen de vereniging of het ondersteunen van het bestuur. Momenteel ligt deze verhouding iets anders omdat ik pas sinds september begonnen ben, gaat er nu nog veel tijd uit naar et organiseren van de clinics en doe ik iets meer vereniging ondersteunende werkzaamheden.

De financiering komt volledig vanuit een subsidie van de gemeente Utrecht in combinatie met de landelijke regeling combinatiefunctionarissen van het ministerie VWS. De penningmeester hoeft zich ook geen zorgen te maken want de gehele salarisadministratie wordt door de gemeente (VSU) verzorgd.

Is het een lastige situatie als professional in een vrijwilligersorganisatie, of valt dat wel mee?

Nee vind ik helemaal niet. Persoonlijk heb ik ook wat moeite met de termen professional en vrijwilliger. De coöperatie heeft een uiterst bekwaam bestuur en een grote groep vrijwilligers waarin zeer capabele mensen zitten, die hun vrijwilligerswerk uiterst professioneel uitvoeren. Het mooie van een vereniging is dat iedereen werkt vanuit een zelfde passie en plezier voor de sport. Als je over wielrennen praat, krijgt men van die fonkeltjes in de ogen. Die liefde voor het wielrennen heb ik ook. Dat is een verbindende factor waardoor men zeer snel bereid is te helpen bij wat je doet.

Natuurlijk zijn er wel wat dingen anders dan op de professionele werkvloer. Het kan bijvoorbeeld wat langer duren voordat je antwoord krijgt op een email. Maar dat is iets waar je jezelf op moet instellen. Je weet dat vrijwilligers, hoewel ze dat waarschijnlijk wel graag zouden willen, niet elke dag van negen tot vijf met de vereniging bezig (kunnen) zijn.

Wat ik wel licht onderschat heb, is hoe belangrijk het is om eerst goed binnen de vereniging te integreren, de clubcultuur te ervaren en kennis te maken met iedereen. Je kan niet zomaar in het wilde weg beginnen daarvoor moet je eerst de vereniging goed leren kennen. Om dat te kunnen bereiken moet je goed weten wie er binnen de vereniging actief zijn, wat ze doen en kenbaar maken wat jezelf komt doen. Dat is een langdurig maar leuk en belangrijk proces, een proces waar ik nu nog steeds mee bezig ben.  

Wat zie jij als de grootste meerwaarde van jouw functie binnen de coöperatie en welke blijvende bijdrage hoop je de coöperatie te geven?

Uiteraard hoop je dat de verenigingen zo’n enorme toestroom van nieuwe jeugdleden krijgen dat ze een tijdelijke ledenstop moeten instellen. Maar realistisch gezien weet je ook dat het voor een goede 95% van de deelnemende leerlingen aan de clinics bij een eenmalige kennismaking blijft. Dat is verder niet erg. Kinderen hebben het druk, doen vaak al een hoop andere dingen of zijn al gebonden aan een andere sport. Ik denk dat het goed is dat ze toch, hopelijk op een positieve manier, hebben mogen proeven aan een andere sport. Hierdoor is hun horizon verbreed, kunnen ze op latere leeftijd beter nagaan wat ze leuk vinden en wellicht dan nog altijd voor het wielrennen kiezen. Die keuze wordt misschien pas jaren later gemaakt maar de drempel om dan naar een vereniging te gaan is dan wel verlaagd. Dat is hopelijk mijn grootste meerwaarde van mijn functie, de drempel verlagen om naar de (wieler)vereniging te komen.

Voor de coöperatie hoop ik dat de samenwerkingen met de scholen ook na mijn termijn, als de subsidieregeling is afgelopen, wordt voortgezet. Het lijkt mij prachtig als de clinics dan geïntegreerd zijn bij de verenigingen zelf, hun eigen trainers deze geven, de scholen van deze mogelijkheid op de hoogte zijn en zichzelf aanmelden. Wellicht wat veel gevraagd om in minder dan anderhalf jaar te realiseren maar daar ligt wel de uitdaging.

Tot slot, wat zou je verenigingen adviseren wanneer zij overwegen een combinatiefunctionaris aan te stellen?

In principe zou elke vereniging een combinatiefunctionaris kunnen aanstellen hoe groot of klein de club ook is. Laat je niet op voorhand afschrikken, informeer gewoon bij de gemeente hoe zij de regeling binnen hun beleid hebben ondergebracht en wat de aanvraagprocedure is. Naar verwachting helpen ze maar al te graag mee.  

Ga bij het aanvragen van een combinatiefunctionaris uit van de mogelijkheden. Als het goed is levert het de vereniging meer beweging op en rond het parcours op waaruit naar verwachting ook een aantal leden zullen doordruppelen naar de club. Haal je een helpende hand binnen die kan assisteren bij bestuurlijke zaken. En toon je als vereniging op een sportieve manier de maatschappelijk betrokkenheid, iets dat naast een goede indruk op de gemeente ook sponsoren zal aanspreken.